Bokhoven is een piepklein dorpje aan de Maas. Vroeger genoemd de Heerlijkheid Bokhoven, een zelfstandige eenheid vallend onder de Bisschop van Luik. Sinds enkele jaren behoort het tot de stad ’s-Hertogenbosch. Zeker als er sneeuw ligt, is dit dorpje net een kerstkaart. De huizen verlicht en de straatjes doezelen in het schijnsel van de straatlantaarns. Midden in het dorpje ligt het Driekoningenplein.
Het was daar dat in vroegere tijden, Jheronimus Bosch rondliep. Hij ontvluchtte even zijn stad en liep wat doelloos rond en rustte vaak aan de oevers van de Maas.
Turend over het water, met zijn schildersdoek voor zich, dacht hij na. Over wat?
Dat zal niemand ooit weten. Zijn geest borrelde altijd. Zijn gedachten kronkelden altijd in alle spelonken van zijn hersens.
Op een dag, het liep tegen Kerstmis, zat hij weer op zijn geliefde plekje aan het water.
Zijn ogen gericht op de rimpeling van het water, een grote cape om zijn schouders, een soort van pet op zijn hoofd.
Een mens van vlees en bloed maar zoals hij daar zat was het net een standbeeld.
Achter hem klonk plots een kinderstem: “Hallo meneer, ben jij verdrietig?”
De schilder keek wat verstoord opzij, en was geneigd aan te geven dat hij met rust gelaten wilde worden.
Maar bij het zien van het jongetje dat bij die stem hoorde, slikte hij zijn ergernis weg en er kwam zelfs een flauwe glimlach op zijn gezicht.
“ Nee, ik ben niet verdrietig maar ik denk na.”
“Oh,’’ klonk het wederom en een tenger jongenslijfje zakte naast hem in het gras.
De eerste twintig seconden zeiden beide figuren niets. De grote man en de kleine man, zij zwegen.
“ Ik woon daar ergens, in een klein huisje. Als je honger hebt, mag je bij ons wel wat eten.’’ klonk het toen wat bedeesd uit de mond van het kind.
“Dat is lief mijn jongen. Maar ik heb geen honger hoor.”antwoordde de schilder.
“Oh," klonk het wederom en opnieuw werd er gezwegen.
“Ben jij een herder of ben jij misschien ook een koning?” Vragend en wat schuchter keek het jongetje opzij.
“Hoe heet je?” vroeg de schilder.
“Ties, en ik ben negen jaar. De drie koningen komen hier altijd en ik dacht dat jij ook naar de kerk ging.”
Nu werd Jheronimus toch wat nieuwsgierig.
“Hoe weet jij nu dat dat koningen zijn. Ik ben geen koning maar een schilder.”
“Oh, dat is ook leuk schilder. Die ken ik niet. Die meneren die koningen zijn, hebben grote mooie jassen aan en hoeden met veren. Maar ja, dat heb jij niet.”
“ Nee. Hoe heten de koningen dan?’’
“ Weet ik niet, iets van Guldenvlies.”
De schilder kreeg steeds meer interesse in het gesprekje.
“Kom, dan gaan we een eindje lopen. Hier is toch een kasteel? Wijs mij maar de weg. Gaan we meteen naar jouw huisje. Misschien zijn je vader en moeder wel thuis.”
Daar liepen ze dan. De grote man met zijn schildersdoek in zijn hand en de kleine jongen, dribbelend naast hem. Om de tien seconden keek hij omhoog. De spanning in zijn lijfje uitte zich in de kracht van zijn passen.
Op het pleintje stond Ties stil.
“Kijk, daar woon ik. Ik zal mijn moeder even vragen hoe de koning heet.”
Hij stoof naar de deur van een klein huisje, de schilder wat verbouwereerd achterlatend.
Enkele minuten later kwam er een vrouw naar buiten, zich verontschuldigend voor het gedrag van haar zoon.
“ Beste heer, mijn zoon droomt altijd van koningen. Maar hier zijn alleen maar graven en hertogen die soms in het kasteel komen.We hebben nu een ridder. Ridder Jan. Hij is nu ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Ties zijn vader vertelt hem dat vaak voordat hij gaat slapen. Maar komt u toch binnen. Het is bijna Kerst en iedereen is welkom bij ons.”
De schilder lachte hartelijk om het verhaal en ging op de uitnodiging in. Binnen wachtte zijn nieuwe vriend Ties met een hoogrode kleur op hem.
Het werd laat die avond. De vader van Ties stookte het vuur hoog en de kan met drank ging rond. Jheronimus keek het kleine huisje rond. Nog één dag en het zou Kerstmis zijn.
Hij wist niet wat de dag van morgen zou brengen maar het ultieme kerstgevoel was de grote schilder al ten deel gevallen. Hier in dit kleine huisje, bij deze gastvrije mensen.
Mensen die zo weinig hadden en zelfs dat deelden met een volslagen vreemdeling.
“Ties, hoeveel koningen heb je nu gezien?”vroeg de gast in het kleine huisje.
“ Drie,’’ antwoordde hij.
De schilder Jheronimus, sloeg een arm om de tengere schouders van Ties en zei:” Weet je wat? Ik heb het zo gezellig gevonden bij jou en je vader en moeder, kom een keer naar de grote stad. Misschien zijn daar wel koningen. En als ze er niet zijn, dan zal ik ze voor je schilderen.”
De kleine jongen zat op de arm van zijn vader en glunderde van oor tot oor.
“Weet je hoe we dit pleintje waar je woont, nu voortaan zullen noemen? Het Driekoningenplein.”
Jheronimus Bosch schudde de hand van de bewoners van het huisje, streek Ties over zijn wang en vertrok. Na vier stappen draaide hij resoluut om, groette de achtergebleven mensen met een buiging en zei: “Kom naar de stad. Ik woon op de Markt. Iedereen kent me. Mijn deur staat wijd open. Zalig Kerstmis.”
De grote man verdween in het donker en liep naar het schijnsel van de sterren boven de Maas.
Het zou een lange tocht worden naar zijn stad.
Dat was niet erg, want Jheronimus Bosch had een warm hart gekregen op deze avond zo vlak voor Kerstmis.
Foto kerkje Bokhoven: Marleen van de Water